← Terug naar Vier HoogLeesfragment

Vier Hoog · leesfragment

Hoofdstuk 1

Vier hoog

‘Je hebt de verkeerde kaas meegenomen.’

Daan keek naar het zakje in zijn hand.

‘Het is kaas.’

‘Dat zie ik.’

‘Geraspte kaas.’

‘Ook dat zie ik.’

Hij hield het zakje iets hoger, alsof Jacey het etiket vanaf daar

misschien anders zou lezen.

‘Mozzarella.’

‘Ja, Daan. Mozzarella. Ik vroeg om oude kaas.’

‘Dit smelt toch ook?’

Vanaf de eettafel klonk gelach.

‘Ik zou stoppen,’ zei Isa.

Daan keek haar aan.

‘Dank je.’

‘Ik bedoelde jou.’

Jacey pakte het zakje uit zijn hand en legde het op het

aanrecht. Een losse pluk van haar lichtbruine haar viel voor haar

gezicht; ze blies hem opzij zonder haar handen van het eten te

halen.

Ze besloot de mozzarella gewoon te gebruiken. Daan zag dat

onmiddellijk als bewijs dat hij gelijk had. Ze liet hem in die

overtuiging. Het belangrijkste was dat hij uit haar keuken bleef.

De keuken was net groot genoeg voor één persoon die wist

wat hij deed, of twee mensen die bereid waren elkaar voortdurend

in de weg te lopen. Daan stond voor de besteklade terwijl Jacey

bij het fornuis moest zijn. Ze bleef achter hem staan.

3

‘Daan.’

‘Ja?’

‘Ik moet daar zijn.’

Hij keek om.

‘Waar?’

‘Waar jij staat.’

Hij deed één stap opzij.

‘Zo?’

‘Nu sta je voor de koelkast.’

‘Moet je in de koelkast?’

‘Nog niet.’

‘Mooi.’

Jacey duwde hem met haar heup verder de keuken uit.

‘Ga maar gewoon zitten.’

‘Ik probeer te helpen.’

‘Dat waardeer ik enorm. Vanaf de woonkamer.’

Isa had haar glas inmiddels alweer bijgevuld en zat met één

been onder zich aan tafel. Haar schoenen stonden in de gang, niet

naast elkaar maar ergens waar ze waren uitgeschopt zodra ze

binnenkwam.

Dat deed ze altijd.

Jacey wist niet wanneer Isa precies was opgehouden bezoek te

zijn.

Waarschijnlijk jaren geleden.

Het was vrijdagavond en buiten hing een grijze oktoberlucht

boven Brabantpark. Zo’n avond waarop het niet echt regende,

maar de galerij toch nat werd en auto’s met hun verlichting aan

reden terwijl het daar eigenlijk nog net te vroeg voor was.

Vanuit de keuken keek Jacey uit op de achterkant van een

andere flat, een rij garageboxen en een paar bomen die langzaam

4

begonnen te verkleuren. Op een balkon twee gebouwen verderop

hing nog steeds een felgeel strandlaken over de reling.

Vier hoog.

Niet hoog genoeg om Breda mooi te kunnen overzien.

Daarvoor stonden er te veel andere gebouwen in de weg.

Wel hoog genoeg om bij thuiskomst met twee volle

boodschappentassen ineens opvallend geïnteresseerd te raken in

de onderhoudsstaat van de lift.

De lift deed het meestal.

Dat was voldoende.

‘Eten,’ zei Jacey.

Daan zette de borden neer.

Bij het opdienen kon Daan het niet laten de mozzarella nog

één keer te benoemen. Isa lachte, wat volgens Jacey precies het

probleem was: ze moedigde hem veel te veel aan.

Jacey ging zitten.

Op tafel lagen naast de drie borden een stapel post, Daans

sleutels, twee elastiekjes die van niemand leken te zijn en een

makelaarsfolder.

Die lag er sinds woensdag.

Jacey had hem inmiddels verschillende keren opgetild om er

iets onder vandaan te pakken, maar nog geen enkele keer in de

papierbak gegooid.

‘Hoe was je dag?’ vroeg Isa.

‘Druk.’

‘Dat zeg je altijd.’

‘Omdat het altijd druk is.’

‘Wat is er gebeurd?’

Jacey draaide wat pasta om haar vork.

Ze vertelde kort over twee ziekmeldingen, een cliënt die van

medewerker wilde wisselen en Britt, de negentienjarige stagiaire

5

die een half uur op een dubbele route had zitten puzzelen. Isa

kende Britt inmiddels uit Jacey’s verhalen. Anita ook: de collega

die volgens hen al ongeveer honderd jaar op planning zat.

Daan keek op.

‘Is dat degene van die kast?’

Isa keek tussen hen in.

‘Welke kast?’

‘Ze hebben op kantoor een archiefkast waar niemand ooit in

kijkt.’

‘Dat weten we niet,’ zei Jacey. ‘Misschien kijkt Anita erin als

wij weg zijn.’

‘Wat zit erin?’

‘Geen idee.’

‘Waarom staat hij er dan?’

Jacey wees met haar vork naar Isa.

‘Exact wat Britt vandaag vroeg.’

‘En?’

‘Anita zei dat die kast er al stond voordat Britt geboren was en

dat hij dus blijkbaar belangrijk was.’

Isa knikte langzaam.

‘Daar valt weinig tegenin te brengen.’

‘Dat vond Anita ook.’

Het kantoor was sowieso blijven hangen in een tijdperk waarin

grijs een verstandige interieurkeuze was geweest. Grijs tapijt.

Grijze bureaus. Grijze archiefkasten. In de hoek stond een

kunstplant waarvan niemand wist wie hem ooit had gekocht en

waarom diegene toen had besloten dat één plant genoeg groen

voor de hele afdeling was.

Jacey vond het prima.

Het was een kantoor.

Ze hoefde er niet te wonen.

6

Pieter had die middag gevraagd of ze ‘de neuzen dezelfde kant

op konden houden’.

Daan grijnsde.

‘Misschien hoort dat bij leidinggeven.’

‘Dan blijf ik planner.’

‘Je bent wel goed in plannen,’ zei Isa.

Jacey haalde haar schouders op.

‘Meestal.’

Dat was ook zo.

Ze vond het prettig als iets niet paste.

Niet op een vervelende manier, maar omdat er dan iets op te

lossen viel. Een route die te vol zat. Iemand die onverwacht

uitviel. Een afspraak die verplaatst moest worden. Ze schoof tot

het uiteindelijk weer klopte.

Soms betekende dat bellen.

Soms onderhandelen.

Soms vijf minuten naar een scherm staren en je afvragen

waarom niemand drie uur eerder had bedacht dat twee afspraken

op hetzelfde tijdstip niet door dezelfde persoon konden worden

uitgevoerd.

Maar meestal lukte het.

Daar was ze goed in.

Isa legde haar vork neer en trok de makelaarsfolder naar zich

toe.

‘En wat is dit?’

‘Een folder.’

‘Dat deel had ik.’

Daan nam een slok drinken.

‘We kijken een beetje rond.’

‘Jij kijkt rond.’

‘Ik stuur jou dingen.’

7

‘Dat is niet hetzelfde als samen kijken.’

‘Je opent ze wel.’

‘Omdat jij ze stuurt.’

Isa sloeg de folder open.

‘Oosterhout?’

‘Ja,’ zei Daan.

‘Waarom Oosterhout?’

‘Waarom niet?’

‘Dat klinkt als een uitstekende basis voor een verhuizing.’

Daan trok de folder naar zich toe en bladerde naar een pagina

die hij kennelijk al kende.

‘Kijk. Gewoon een normaal huis. Drie slaapkamers, tuin,

prima keuken. En je krijgt voor hetzelfde geld meer dan in

Breda.’

Isa boog zich naar voren.

‘Waar?’

‘Dommelbergen.’

Jacey at verder.

Ze kende de advertentie inmiddels bijna uit haar hoofd. Niet

omdat ze er uitgebreid voor was gaan zitten, maar omdat Daan

haar de link twee keer had gestuurd. De tweede keer met de tekst:

Deze bedoelde ik dus.

Alsof zij na de eerste keer misschien per ongeluk naar een heel

ander huis had gekeken.

‘Best leuk,’ zei Isa.

‘Dank je,’ zei Daan.

‘Waarom bedank jij?’

‘Omdat jij tenminste normaal reageert.’

Jacey wees met haar vork naar de foto.

‘Er staat een trampoline in de tuin.’

‘Die nemen we niet over.’

8

Leesfragment uit Vier Hoog van Lodi Taal. © 2026 Lodi Taal. Uitsluitend voor persoonlijk lees- en redactioneel gebruik.